| |
Op een avond zit ik achter in de tuin met een vriend. Ik staar in de donkere hemel. Ineens ontwaar ik een klein lichtpuntje vanuit het niets. De verschijning van de ster treft me. Ik ben getuige van mijn eigen gedachten. Alle sterren zijn eigenlijk altijd aanwezig en afwezig tegelijk! Pas als mijn zintuigen ze waarneemt, zijn ze er voor mij. Voor mijn geboorte was ik er niet en nu wel. Ben ik er ook altijd geweest? Ik betrek mijn vriend in mijn gedachtegang. “Toen mijn moeder zwanger was van mij, zal ze in het begin niet van mij hebben geweten. Uit het niets werd ik materie en energie. Daarvoor was ik blijkbaar verbonden met het Al of het Niets en onzichtbaar. In de schoot van mijn moeder ben ik gegroeid tot zichtbaarheid en tastbaarheid, zoals uit het niets die ster zichtbaar is geworden. Kijk! Zie je die ster? Die was er net nog niet.” Hij kijkt en brengt zijn wijsheid in. “Het is jouw ziel die er altijd is geweest en er altijd zal zijn. Er zijn zoveel onzichtbare zielen.” Ik word door zijn woorden aangesproken. “Je hebt gelijk. Zo is het. Toen mijn moeder dit jaar stierf, heeft ze haar tijdelijke vergankelijke bestaan ingeleverd voor het eeuwige zielsbestaan.” Ik sta op en loop wat op en neer, omdat de energie door mijn lichaam stroomt. “En weet je, ik besef nu dat mijn organisme in haar schoot is gegroeid tot een menselijk lichamelijke gestalte met ziel en al. In haar was ik lichamelijk verbonden. De start van mijn emotionele relatie met haar. In haar ben ik een mens geworden van lichaam, geest en ziel. Dat is toch bijzonder!” Mijn stem is opgewonden. “Zij is nu daar en jij bent nu hier”, voegt hij toe. “Eerst was ik daar en zij hier.” We lachen er van. “Zou ik in haar buik nog geweten hebben van het Al of het Niets, waar geen enkele ziel door de eenheid valt te onderscheiden? Wanneer vergeet je je afkomst?” Hij laat deze vragen onbeantwoord. “Jouw geboorte was in ieder geval de laatste stap die jouw eeuwige ziel tijdelijk heeft gemaakt tot de vergankelijke mens, die jij nu bent. Als ons aards bestaan toch vergankelijk is, laten we er dan iets moois en zinvols van maken.” Ik hef mijn glas. “Daar drink ik op!”
Als u wilt reageren |